Over het gilde.

Ontstaan en Historie van het SINT JORISGILDE  Tilburg

 

Het Sint Joris gilde heeft in 1983  zijn 500 jarig bestaan gevierd. En hoewel het gilde in 2009 dus eigenlijk 526 jaar bestond heeft het gilde toch in dat jaar het 525 jarig bestaan gevierd met een grootse Gildendag.

Hoewel het altijd een hachelijke zaak is een exacte datum te hangen aan het ontstaan van een zo oud gilde als het Sint Jorisgilde werd in 1983 toch herdacht dat er in 1483 in de registers van het bisdom Luik voor het eerst sprake was van een altaar in de kerk van Tilburg toegewijd aan de Heilige Sint Joris.

De Bossche raadsheer en priester Henricus Loe is dan aan het bisdom 1 schild (oude munt) verschuldigd voor de vergunning om aan het altaar van de H. Gregorius (Sint Joris) in de kerk de mis te mogen doen.

Deze simpele boekhoudkundige aantekening is het bewijs dat er in dat jaar zo’n altaar was. Dergelijke altaren werden in de late middeleeuwen door groepen gelovigen gesticht uit bijzondere verering voor een bepaalde heilige en tot  meerdere zekerheid van hun zielerust.

Zo ontstond ook in Tilburg een flink aantal van dergelijke altaarbroederschappen en gilden. Deze gilden waren echter zeker niet allemaal schuts gilden.

Voor Tilburg staat wel vast dat van de in de zestiende eeuw bestaande gilden alleen die van Sint Joris, Sint Sebastiaan en ook die van Sint Katharina toen een schutterlijk karakter hadden. Veel later is daar ook nog het Sint Dionysius of Kolveniersgilde bijgekomen.

Algemeen wordt aangenomen dat de Schutsgilden  op het Brabantse platteland  omstreeks 1500 zijn ontstaan in navolging van die in de steden.

De eerbiedwaardige “kaart” van het Sint Jorisgilde “die men heijten sal scutterije van de voetbooghe” , waarvan de datering niet meer te lezen is, maar die tussen 1507 en 1529 verleend moet zijn door Robbrecht van Malsen en zijn vrouw Margriet van Haestrecht, heer en vrouwe van Tilburg en Goirle, bevat ook  een door slijtage sterk verminkte tekst over een zeer specifieke bevoegdheid :  “de schutsbroeders mogen kwaadwillende personen aanhouden en aan de heer overleveren”                                                                                                                 Door zulke bepalingen   en in het algemeen door het feit dat de “kaart” verleend werd door de wereldlijke heer wordt het duidelijk dat hier niet meer de nadruk ligt op de kerkelijke betekenis van het gilde, n.l. het onderhouden van een altaar ter ere van een bijzondere heilige, maar op een wereldlijke functie.

De gildebroeders hadden ten behoeve van de handhaving van de openbare orde in het dorp bevoegdheden, die de heer op basis van het door hem verleende reglement, eigenlijk een overeenkomst, vervat in de “kaart” met hen deelde.  De oude kaart bevatte 35 artikelen, o.a. over den “papegaey schieten” en “dat juwel” van de koning (art 11).

                                                                                                                                                 Op Sint Jorisdag moest men jaarlijks aanwezig zijn bij “het altaar van Sint Jorijs in den kercke” . Het Sint Joris altaar welk werd vermeld in 1483 toen de vergrote parochiekerk van Tilburg werd geconsacreerd.

Mogelijk is de kaart  die verleend is tussen 1507 en 1529 niet de oudste kaart maar door de nieuwe heer van Tilburg vernieuwd. Hij schenkt daarbij aan de schutters vele “vrijheden” maar “begheert dat een yehgelyk schutter hem bijstandt doen sal in syne noot” (art. 28)

Tot die vrijheden behoorde dat men vrij mocht verblijven binnen de heerlijkheid van Tilburg en Goirle op de 5 vergaderdagen, “den Omganckdag” (art. 5 = 2e Pinksterdag ?), Sacramentsdag (vanwege de processie), “Versworen Maendach” (= verloren maandag, na de eerste zondag na Driekoningen), Schietdag en Sint Jorisdag. Een van de laatste artikelen schrijft voor dat bij opstandigheid “de rebel” zal overgeleverd worden aan “den ouden scutten van Den Bosch”(art. 33).

Tijdens de 80 jarige oorlog (1568 – 1648) werd op Sint Jorisdag, 23 april 1590, de kaart door Huybert van Malsen, Heer van Tilburg en Goirle, aangepast en ingekort tot 13 artikelen.

De hoofdman, koning, dekens en oudermannen hebben in 1670 wederom nieuwe “ordonantiën”opgesteld om ’t Gilde aan te passen aan de geheel veranderde toestand na de Vrede van Munster in 1648, toen Noord Brabant bijna geheel generaliteitsgebied was geworden.                                                                           Pas in 1804 werden alle nog aanwezige papieren verzameld en opgenomen in het grote gildeboek. Rond dat jaar heeft men ook een lijst van leden gemaakt. De oudste hierin genoemde gildebroeder was aangenomen in 1742 en overleed in 1808.

De vraag blijft nu of de in de vroeg zestiende-eeuwse “kaart” vastgestelde situatie al ouder was. Anders gezegd of het Sint Jorisaltaar, dat in 1483, het jaar van de wijding van de herbouwde en vergrote kerk van Tilburg, bestond door een schuttersgilde was gesticht of door een loutere altaarbroederschap.

Voor een antwoord op deze vraag zijn de volgende feiten van belang.  In 1387 waren Tilburg en Goirle door Hertogin Johanna van Brabant in pand gegeven aan ridder Pauwels van Haestrecht, wiens familie in het rivierengebied thuishoorde, maar die vele rechten en bezittingen in de meierij verwierf.  Bij de verdeling van de nalatenschap van zijn kleinzoon Pauwels Dirkszoon van Haestrecht in 1473 vielen Tilburg en Goirle als afzonderlijke heerlijkheid toe aan diens zoon Jan, de vader van bovengenoemde Margriet van Haestrecht.

Deze Jan kocht enige jaren later, in 1477, een reeds bestaand versterkt huis aan de Hasselt. Het is nu alleszins aannemelijk dat hij zich daarna meer en meer in zijn dorp ging ophouden. Omstreeks die tijd zal hij er behoefte aan hebben gehad om op een goed geoefende groep inwoners een beroep te kunnen  doen, waar dat nodig was, voor de veiligheid van eigen have en goed en dat van zijn dorpelingen.

Zo kan het zijn dat er allang een voetbooggilde was voordat de status daarvan in een formele overeenkomst tussen heer en onderzaten werd vastgelegd en dat het altaar in 1453 door het toen nog jonge gilde in de nieuwe kerk werd gesticht voor de viering van de hoogtijdagen en de nagedachtenis van de overleden gildebroeders.

We lopen dus een goede kans dat het 500 jarig bestaan van het Sint-Jorisgilde al een paar jaar voor 1983 gevierd had moeten worden. Maar wanneer dan precies……..?

BRONNEN :

Artikelen van Drs. G.J.W. Steijns en Drs W.H.Th. Knippenberg  vermeld in het jubileumboek “500 jaar Sint-Jorisgilde Tilburg “ in 1983.